De keuze voor het juiste maïsras maak je lang voordat de zaaimachine het land op gaat. Die keuze bepaalt voor een groot deel hoeveel ruwvoer je in het najaar inkuilt. Ook de kwaliteit van dat voer hangt ervan af. Een ras dat bij je buurman goed presteert, past niet automatisch bij jouw bedrijf. Daarom loont het om de belangrijkste kenmerken op een rij te zetten voordat je bestelt.
Begin bij je grond en je locatie
Grondsoort en ligging bepalen welk ras kans van slagen heeft. Op koude, natte klei komt maïs trager op gang dan op lichte zandgrond. Op droogtegevoelige zandgrond speelt juist de wateropname een grote rol. Kijk ook naar waar je percelen liggen. In het noorden en oosten van het land is het groeiseizoen vaak korter dan in het zuiden. Een ras dat te laat afrijpt, haalt dan niet het gewenste drogestofgehalte voor de oogst. Ga daarom eerst na wat je grond in een gemiddeld jaar aankan.
Het FAO-getal zegt iets over de rijptijd
Bij het vergelijken van maïszaad kom je al snel het FAO-getal tegen. Dat getal geeft aan hoe vroeg of laat een ras afrijpt. Hoe lager het getal, hoe eerder het ras doorgaans oogstrijp is. Rassen worden daarom vaak ingedeeld in groepen als vroeg, middelvroeg en middellaat. Een vroeg ras geeft je meer zekerheid in een koel of nat seizoen. Een later ras kan in een gunstig jaar meer opbrengen, maar brengt ook meer risico mee. Twijfel je, kies dan liever iets vroeger. Een tijdige oogst onder droge omstandigheden voorkomt structuurschade aan je grond. Daarnaast houd je ruimte over om na de oogst een vanggewas te zaaien.
Snijmaïs of korrelmaïs
Bepaal vooraf waarvoor je het gewas gebruikt. Teel je snijmaïs voor de kuil, dan draait het om de opbrengst van de hele plant. Let dan op drogestofopbrengst, VEM-waarde en zetmeelgehalte. Teel je voor de korrel, dan telt vooral de korrelopbrengst en hoe snel de korrel afdroogt. Er zijn ook dubbeldoelrassen die voor beide toepassingen geschikt zijn. Die geven je speelruimte als je pas laat in het seizoen beslist hoe je oogst. Vergelijk de cijfers bij voorkeur in onafhankelijke rassenproeven. Daar staan de rassen onder vergelijkbare omstandigheden naast elkaar.
Stevigheid, gezondheid en oogstvenster
Een hoge opbrengst op papier zegt weinig als het gewas voor de oogst plat gaat. Let daarom op de stevigheid van stengel en wortel. Een ras met goede stay-green eigenschappen blijft langer groen en gezond. Dat geeft je een ruimer oogstvenster. Juist in een drukke oogstperiode, wanneer de loonwerker niet meteen kan komen, is dat waardevol. Ook de gevoeligheid voor ziekten zoals stengelrot en builenbrand verschilt per ras. Vraag hiernaar als de rassenbeschrijving er weinig over zegt.
Zaaidichtheid en planning
Hoeveel zaden per hectare je nodig hebt, hangt af van het ras en je grond. Voor de meeste rassen geeft de leverancier een zaaiadvies. Op droge grond zaai je doorgaans wat minder dicht dan op grond met voldoende vocht. Zaai pas als de bodem warm genoeg is, meestal vanaf acht tot tien graden. Te vroeg zaaien in koude grond vertraagt de opkomst en maakt het jonge gewas kwetsbaar. Bestel je zaaizaad bovendien op tijd, want gewilde rassen zijn soms vroeg uitverkocht. Een agrarische toeleverancier als H. Van Namen heeft naast maïsrassen ook producten voor ruwvoer, bemesting en gewasbescherming. Zo stem je de rassenkeuze meteen af op de rest van je teeltplan. Twijfel je tussen twee rassen, dan kun je daar ook om advies vragen.
Kies op basis van meerdere seizoenen
Kijk bij het kiezen niet alleen naar de resultaten van één goed jaar. Een ras dat meerdere seizoenen stabiel presteert, is vaak een veiligere keuze. Combineer gegevens uit rassenlijsten met je eigen ervaringen op het perceel. Noteer na elke oogst hoe het ras het deed op opkomst, stevigheid en opbrengst. Na een paar jaar heb je zo een eigen overzicht dat beter bij je bedrijf past dan elke algemene ranglijst.
